dinsdag 31 juli 2018

22:54 MAENDALEO YOUTH CENTRE



Voor ik begin: beste ouders, hou uw en elkaars hart alstublieft heel stevig vast want in het volgend blogbericht beleven jullie hoe jullie kinderen tot drie keer toe in panne staan met hun bus op een berg in Afrika, hoe er iets ontploft in de buurt van jullie kinderen en wordt er flink gespuugd. Op mij. Want wat een reis van vijf uur moest zijn, werd er eentje van dertien uur. Slaap uitstellen voor mij harten vasthouden voor jullie. Goed vasthouden. Want het is terug compleet. Jullie kinderen zitten er voor eventjes terug in:

Opstaan in de hoofdstad van het land dat we later die dag zéér uitgebreid te zien zouden krijgen werd om zeven uur gedaan. Uit het bed en uit het muggengaas met enorme gaten in: ontbijt, (knalgele omeletten en ‘s nachts vers voor ons gebakken sandwiches) ingepakt, sleutels afgegeven en voor we het wisten, de Afrikaanse banen op. In een Toyota voorzien voor 30 personen waar je met z’n twaalven al krap in zit. Drie mensen gingen ons begeleiden richting Kigoma, maar zes mannen stapten mee met ons op, geen drie. De drie overige metgezellen zagen in de woorden dat op de achterkant van ons wit busje waren geplakt namelijk: ‘BUJU – KIGOMA’ een handig en vooral gratis vervoersmiddel om wat verdere horizonten van hun klein Afrikaans land te ontdekken. Geen probleem, want één van de drie “zwartrijders” was trouwens een priester. Toch vrees ik dat God in België wat aan het overwerken was met het luisteren naar de vele schietgebedjes van, bijvoorbeeld, achtergebleven ouders, want onder Gods vleugels werden we zelfs met een priester in ons midden doorheen de reis niet echt gespaard. 

Een bleke bus in Zwart-Afrika rijdt de kustlijn van het Tanganikameer af. Het ene dorp na het andere staart aan ons voorbij. Kijken jullie eens goed naar de foto die jullie van één van ons op de luchthaven genomen hebben. Bagage in de hand, glimlach op het gezicht. Wel diezelfde gezichten werden vandaag talloze keren aangestaard. Plezant soms. Heel wat van wat de meest schattige kindjes van West-Afrika moesten geweest zijn, staken hun duim omhoog en openden hun onschuldige blikken met oprecht ge(schater)lach onze richtng toe. Ook raar soms. Veel verbazing op de gezichten van de voorbijgangers. Ongeloof. Eén tienermeisje staakte haar vaste tred naar huis met volle bananen in een mand op haar hoofd meteen en staarde. Wij gaapten naar Afrika, naar haar prachtige groene heuvels langs de ene en naar le lac de Tanganica aan de andere zijde, naar tonnen nieuw, terwijl Afrika zelf gaapte naar ons. Ook naar nieuw. Te vaak voelde het staren ook heel pijnlijk aan. Reizend op de met putten en verkeersdrempels bezaaide baan zagen we een middelvinger, hoorden we Swahilische scheldwoorden, bleekscheet! En bleekscheten = geld. Kinderen die hun handen niet naar ons uitsteken om te zwaaien, maar om met hun duim wrijvend op hun middel – en wijsvinger ons duidelijk probeerden te maken dat ze wat geld willen. We zagen mannen staren, vrouwen waren aan het werk, op het land, met de kinderen terwijl de mannen helemaal niets deden, in de stad, met de vrienden. Verkopers (zijn ze écht verdrietig of spelen ze komedie?) omsingelden de bus meteen wanneer we hier en daar eens stil stonden. Het woord dat het meeste onze witte bus werd ingegeroepen was Muzungu*. (vreemdeling)

Duidelijk: wij zijn niet het slachtoffer van racisme geweest. De mensen hier zijn open, geven iets terwijl ze niets hebben. Racisme is totaal iets anders dan wat bozere blikken langs de weg. Ik denk dat onze blanke huid (rijkdom, vrijgevigheid) de mensen hier een lichtpuntje hoop gaf. En dan zie je die hoop letterlijk aan jezelf en aan je gezin voorbij rijden. En aan 90 per uur. Kwader reageren heeft op dat moment ook gewoon nut, niet zoals racisme of vooroordelen dat de nutteloosheid zelve is: die boze blik van iemand hier laat zien dat de mensen, ook gewoon mensen zijn. Naast de hoge temperaturen tegenwoordig (28 graden) zijn mensen ook het enige wat ons Warafiki wa Maendaleo met de Warafiki wa Belgio verbindt.

Terwijl we bijna aan de voet van de bergen cruisden vulde de bus zich na drie uur met wat vermoeidheid. Tot het moment dat er iets op mijn hoofd vloog. Ik zat naast een open venster, in een rijdende bus en iedereen denkt dan aan een vliegje dat zich op een ongelukkige manier met de mensenwereld kwam bemoeien als er dan iets op je kranie botst. Nee. Het was een tikkeltje aparter dan dat. Ik draaide me om en de papieren zakdoekjes vlogen me linea recta om de oren en om de bril. Spuug. Nat, dik, doorzichtig en afkomstig uit de mond van een boze chauffeur die het inhaalmanoevre van onze chauffeur niet kon slikken en wat rest er dan als je iets niet kan slikken? Inderdaad: je spuugt het uit. Respect wel. Pal in het midden van mijn bakkes heeft die kerel gemikt. Probeer dat maar eens als jullie nog eens in de file staan en als er een bumperklever jullie voorbijsteekt. Rochelt eens zijn venster binnen! Want ja, ook dat is Afrika. Zelden zo gelachen in een vreemd continent met vreemd DNA op mijn lijf, dat ook.

We zijn stilgevallen. We staan nu buiten de bus. Oververhitting bij het beklimmen van een berg die zeven kilometer stijgt aan een percentage van tien procent, leest de doodsoorzaak van ons busje. Vijftien minuten en minstens evenveel nieuwsgierige Burundezen later herleefde de bus en klommen we verder. Onze Toyota kon de stevige brok bergluchtvochtigheid terug aan door een bassin op te vullen met een trechter (lees: met een on-the-spot met Stans zakmes in twee gesneden leeg waterflesje op z’n Afrikaans gebruikt als trechter) kon ook hij er terug tegenaan. De priester dommelt in. Ik wou hem nog tegenhouden maar te laat, hij ontplofte. Onze bus bedoel ik, niet de priester. Een stijl stukje berg, knal (een kapotgesprongen buis die de radiator met de motor verbindt) en we stonden weeral buiten foto’s van het uitzicht te nemen. Naast laaghangende wolken was er nog iets anders wit aan onze oren voorbij aan het stomen. Witte rook uit de motor. Veel rook. Dit alles was verschieten. Niks ernstigs met ons of met de bus, een (ontplofte) scheet in een fles eigenlijk. Wel een scheet die ons twee uur en een half langs de kant van een bergstraat liet staan, maar toch. We stonden lang stil omdat één van de mannen die ons begeleidde eerst wachtte op een motor die passeerde om daarmee een wisselstuk in de stad te gaan halen voor onder de oververhitte motorkap. Twee kinderen (niet ouder dan acht) zorgden daarbij voor de nodige afleiding. Dance-moves, handenstands, kopstands, you name it, kortom: wij konden niet achterblijven. De bus stond in panne op één kilometer van de top, belachelijker werd het niet meer. De kabouterdans viel in de smaak. Net zoals de Macarena. Zalige gastjes. De mensen die ons begeleidden ook. Want mensen die auto-onderdelen van ijzer vervangen door ze met Super Glue aan elkaar te kleven verdienen ieders respect. Tijd om terug in te stappen en om niet terug in panne te vallen. Of te ontploffen. Blijkbaar één van die twee opties want op tien meter van de top van de berg verwijderd klom het puffend busje zijn derde panne op een beklimming van amper zeven kilometer in totaal.Toen geen gastjes maar Scala toen we weeral buiten stonden. Ze verkochtten bananen maar vergaten die snel. Hun hoge tonen haalden de dertig, veertig meisjes en vrouwen dankzij onze huidskleur. Vol verbazing keken ze ook allemaal naar de meisjes hun lange haren. Ze lachtten en gingen allemaal tegelijk met hun stemmen na zo een lachbui héél hoog de hoogte in. Giecheltrienen? Giltrienen ja. Lang stonden we er echter niet. Na twee keer de bus gerepareerd te hebben wist men wel al van wanten. Spoel even voorbij de tien meest angstwekkende meters in heel ons leven en we daalden veilig en wel die verdomde berg eindelijk af. Bye bye, oververhitting, bye bye explosies en bye bye Scala! Tanzania was nog nooit zo dichtbij.

Twee paspoortcontroles -Burundi Buiten en Tanzania Binnen- later sliepen we een uurtje bij tot in het Youth Centre. Wat een plek. Jullie kunnen het het beste vergelijken met een dorp. Met haar plein, kapel, grote eetruimte en haar bruisen van vriendelijk volk. Rijst met bonen was nog nooit zo lekker en zal de rest van de week ook niet meer zo lekker zijn dan vanavond vrees ik. Dansfeestje. Die gasten kunnen dansen! Kennismaken met David, John en nog een paar andere Davids en Johns. Na drie dagen reizen, vertragingen, reizen, speekselslierten, reizen, ontploffingen en nog eens reizen, durf ik het volgende te zeggen: mama, papa,

Wij zijn thuis.

(Elias)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten