Voor ik begin: beste ouders, hou uw en elkaars
hart alstublieft heel stevig vast want in het volgend blogbericht beleven
jullie hoe jullie kinderen tot drie keer toe in panne staan met hun bus op een
berg in Afrika, hoe er iets ontploft in de buurt van jullie kinderen en wordt
er flink gespuugd. Op mij. Want wat een reis van vijf uur moest zijn, werd er
eentje van dertien uur. Slaap uitstellen voor mij harten vasthouden voor
jullie. Goed vasthouden. Want het is terug compleet. Jullie kinderen zitten er
voor eventjes terug in:
Opstaan in de
hoofdstad van het land dat we later die dag zéér uitgebreid te zien zouden krijgen
werd om zeven uur gedaan. Uit het bed en uit het muggengaas met enorme gaten
in: ontbijt, (knalgele omeletten en ‘s nachts vers voor ons gebakken
sandwiches) ingepakt, sleutels afgegeven en voor we het wisten, de Afrikaanse
banen op. In een Toyota voorzien voor 30 personen waar je met z’n twaalven al
krap in zit. Drie mensen gingen ons begeleiden richting Kigoma, maar zes mannen
stapten mee met ons op, geen drie. De drie overige metgezellen zagen in de
woorden dat op de achterkant van ons wit busje waren geplakt namelijk: ‘BUJU –
KIGOMA’ een handig en vooral gratis vervoersmiddel om wat verdere horizonten
van hun klein Afrikaans land te ontdekken. Geen probleem, want één van de drie
“zwartrijders” was trouwens een priester. Toch vrees ik dat God in België wat
aan het overwerken was met het luisteren naar de vele schietgebedjes van,
bijvoorbeeld, achtergebleven ouders, want onder Gods vleugels werden we zelfs met
een priester in ons midden doorheen de reis niet echt gespaard.
Een bleke bus in
Zwart-Afrika rijdt de kustlijn van het Tanganikameer af. Het ene dorp na het
andere staart aan ons voorbij. Kijken jullie eens goed naar de foto die jullie
van één van ons op de luchthaven genomen hebben. Bagage in de hand, glimlach op
het gezicht. Wel diezelfde gezichten werden vandaag talloze keren aangestaard. Plezant
soms. Heel wat van wat de meest schattige kindjes van West-Afrika moesten
geweest zijn, staken hun duim omhoog en openden hun onschuldige blikken met
oprecht ge(schater)lach onze richtng toe. Ook raar soms. Veel verbazing op de
gezichten van de voorbijgangers. Ongeloof. Eén tienermeisje staakte haar vaste
tred naar huis met volle bananen in een mand op haar hoofd meteen en staarde.
Wij gaapten naar Afrika, naar haar prachtige groene heuvels langs de ene en
naar le lac de Tanganica aan de andere zijde, naar tonnen nieuw, terwijl Afrika
zelf gaapte naar ons. Ook naar nieuw. Te vaak voelde het staren ook heel
pijnlijk aan. Reizend op de met putten en verkeersdrempels bezaaide baan zagen
we een middelvinger, hoorden we Swahilische scheldwoorden, bleekscheet! En
bleekscheten = geld. Kinderen die hun handen niet naar ons uitsteken om te
zwaaien, maar om met hun duim wrijvend op hun middel – en wijsvinger ons
duidelijk probeerden te maken dat ze wat geld willen. We zagen mannen staren,
vrouwen waren aan het werk, op het land, met de kinderen terwijl de mannen
helemaal niets deden, in de stad, met de vrienden. Verkopers (zijn ze écht
verdrietig of spelen ze komedie?) omsingelden de bus meteen wanneer we hier en
daar eens stil stonden. Het woord dat het meeste onze witte bus werd
ingegeroepen was Muzungu*. (vreemdeling)
Duidelijk: wij
zijn niet het slachtoffer van racisme geweest. De mensen hier zijn open, geven
iets terwijl ze niets hebben. Racisme is totaal iets anders dan wat bozere
blikken langs de weg. Ik denk dat onze blanke huid (rijkdom, vrijgevigheid) de
mensen hier een lichtpuntje hoop gaf. En dan zie je die hoop letterlijk aan
jezelf en aan je gezin voorbij rijden. En aan 90 per uur. Kwader reageren heeft
op dat moment ook gewoon nut, niet zoals racisme of vooroordelen dat de
nutteloosheid zelve is: die boze blik van iemand hier laat zien dat de mensen,
ook gewoon mensen zijn. Naast de hoge temperaturen tegenwoordig (28 graden)
zijn mensen ook het enige wat ons Warafiki wa Maendaleo met de Warafiki wa
Belgio verbindt.
Terwijl we bijna aan
de voet van de bergen cruisden vulde de bus zich na drie uur met wat
vermoeidheid. Tot het moment dat er iets op mijn hoofd vloog. Ik zat naast een
open venster, in een rijdende bus en iedereen denkt dan aan een vliegje dat
zich op een ongelukkige manier met de mensenwereld kwam bemoeien als er dan
iets op je kranie botst. Nee. Het was een tikkeltje aparter dan dat. Ik draaide
me om en de papieren zakdoekjes vlogen me linea recta om de oren en om de bril.
Spuug. Nat, dik, doorzichtig en afkomstig uit de mond van een boze chauffeur
die het inhaalmanoevre van onze chauffeur niet kon slikken en wat rest er dan
als je iets niet kan slikken? Inderdaad: je spuugt het uit. Respect wel. Pal in
het midden van mijn bakkes heeft die kerel gemikt. Probeer dat maar eens als
jullie nog eens in de file staan en als er een bumperklever jullie voorbijsteekt.
Rochelt eens zijn venster binnen! Want ja, ook dat is Afrika. Zelden zo
gelachen in een vreemd continent met vreemd DNA op mijn lijf, dat ook.
We zijn
stilgevallen. We staan nu buiten de bus. Oververhitting bij het beklimmen van
een berg die zeven kilometer stijgt aan een percentage van tien procent, leest
de doodsoorzaak van ons busje. Vijftien minuten en minstens evenveel
nieuwsgierige Burundezen later herleefde de bus en klommen we verder. Onze
Toyota kon de stevige brok bergluchtvochtigheid terug aan door een bassin op te
vullen met een trechter (lees: met een on-the-spot met Stans zakmes in twee
gesneden leeg waterflesje op z’n Afrikaans gebruikt als trechter) kon ook hij
er terug tegenaan. De priester dommelt in. Ik wou hem nog tegenhouden maar te
laat, hij ontplofte. Onze bus bedoel ik, niet de priester. Een stijl stukje
berg, knal (een kapotgesprongen buis die de radiator met de motor verbindt) en
we stonden weeral buiten foto’s van het uitzicht te nemen. Naast laaghangende
wolken was er nog iets anders wit aan onze oren voorbij aan het stomen. Witte
rook uit de motor. Veel rook. Dit alles was verschieten. Niks ernstigs met ons
of met de bus, een (ontplofte) scheet in een fles eigenlijk. Wel een scheet die
ons twee uur en een half langs de kant van een bergstraat liet staan, maar
toch. We stonden lang stil omdat één van de mannen die ons begeleidde eerst
wachtte op een motor die passeerde om daarmee een wisselstuk in de stad te gaan
halen voor onder de oververhitte motorkap. Twee kinderen (niet ouder dan acht)
zorgden daarbij voor de nodige afleiding. Dance-moves, handenstands, kopstands,
you name it, kortom: wij konden niet achterblijven. De bus stond in panne op
één kilometer van de top, belachelijker werd het niet meer. De kabouterdans
viel in de smaak. Net zoals de Macarena. Zalige gastjes. De mensen die ons
begeleidden ook. Want mensen die auto-onderdelen van ijzer vervangen door ze met
Super Glue aan elkaar te kleven verdienen ieders respect. Tijd om terug in te
stappen en om niet terug in panne te vallen. Of te ontploffen. Blijkbaar één
van die twee opties want op tien meter van de top van de berg verwijderd klom
het puffend busje zijn derde panne op een beklimming van amper zeven kilometer
in totaal.Toen geen gastjes maar Scala toen we weeral buiten stonden. Ze
verkochtten bananen maar vergaten die snel. Hun hoge tonen haalden de dertig,
veertig meisjes en vrouwen dankzij onze huidskleur. Vol verbazing keken ze ook
allemaal naar de meisjes hun lange haren. Ze lachtten en gingen allemaal
tegelijk met hun stemmen na zo een lachbui héél hoog de hoogte in.
Giecheltrienen? Giltrienen ja. Lang stonden we er echter niet. Na twee keer de
bus gerepareerd te hebben wist men wel al van wanten. Spoel even voorbij de
tien meest angstwekkende meters in heel ons leven en we daalden veilig en wel die
verdomde berg eindelijk af. Bye bye, oververhitting, bye bye explosies
en bye bye Scala! Tanzania was nog
nooit zo dichtbij.
Twee
paspoortcontroles -Burundi Buiten en Tanzania Binnen- later sliepen we een
uurtje bij tot in het Youth Centre. Wat een plek. Jullie kunnen het het beste
vergelijken met een dorp. Met haar plein, kapel, grote eetruimte en haar bruisen
van vriendelijk volk. Rijst met bonen was nog nooit zo lekker en zal de rest
van de week ook niet meer zo lekker zijn dan vanavond vrees ik. Dansfeestje.
Die gasten kunnen dansen! Kennismaken met David, John en nog een paar andere
Davids en Johns. Na drie dagen reizen, vertragingen, reizen, speekselslierten,
reizen, ontploffingen en nog eens reizen, durf ik het volgende te zeggen: mama,
papa,
Wij zijn thuis.
(Elias)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten